WEEK 2 – IK zal er voor jou zijn

 

DAG 10 – zaterdag 27 februari 2021

 

Op zaterdag is er geen gesproken versie van het bezinningsmoment. U hebt gelegenheid om zelf de hele Bijbeltekst van de afgelopen week nog eens te lezen en erop te reflecteren aan de hand van het thema van deze week: IK zal er voor jou zijn. Na de schriftlezing vindt u nog een bijpassend gedicht.

(Voor gezinnen met kinderen is er vandaag een apart ‘gezinsmoment’ beschikbaar.)

 

Schriftlezing: Exodus 3: 1-14

Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ik luister,’ antwoordde Mozes. ‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.

De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’

Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’

Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’ Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.”’ 

 

 

Gedicht:  Een lied van verwondering

 

Wij leven van verwondering

en uit een diep vermoeden,

dat in en om ons leven heen

een hand ons wil behoeden,

dat er een hart is dat ons draagt,

dat er een stem is die ons vraagt,

dat God ons leidt ten goede.

 

Wij leven dwars door vragen heen,

met tere zekerheden,

dat ondanks vóór- en tegenspraak

hier kwetsbaar wordt beleden,

dat er een hand is die ons draagt,

dat er een stem is die ons vraagt,

dat God deelt in ons heden.

 

Wij leven het mysterie uit,

de waarheid, ongemeten,

dat al ons denken bovenuit,

in ons een heel diep weten,

weet dat een hand ons leven draagt,

dat er een stem is die ons vraagt,

die ons een God wil heten.

 

Alfred C. Bronswijk

(uit: Rakelings nabij)