WEEK 5 – ik wil dat JIJ er voor mij bent

 

DAG 28 – zaterdag 20 maart 2021

 

Op zaterdag is er geen gesproken versie van het bezinningsmoment. U hebt gelegenheid om zelf de hele Bijbeltekst van de afgelopen week nog eens te lezen en erop te reflecteren aan de hand van het thema van deze week: ik wil dat JIJ er voor mij bent. Na de schriftlezing vindt u twee bijpassende gedichten.

Voor gezinnen met kinderen is er vandaag een apart ‘gezinsmoment’ beschikbaar.

 

Schriftlezing: Lucas 8: 40-56

Toen Jezus terugkeerde, werd hij door de menigte opgewacht; iedereen stond naar hem uit te kijken. Er was ook een man onder hen die Jaďrus heette, een leider van een synagoge. Hij kwam op Jezus af, viel aan zijn voeten neer en smeekte hem mee te gaan naar zijn huis, want hij had een dochter van ongeveer twaalf jaar oud, die op sterven lag; ze was zijn enige kind. Toen Jezus op weg ging, begonnen de mensen van alle kanten te duwen. Een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed – en door niemand genezen had kunnen worden, al had ze haar hele kapitaal aan artsen uitgegeven – naderde hem van achteren en raakte de zoom van zijn bovenkleed aan; meteen hield de bloedvloeiing op. Jezus vroeg: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Iedereen ontkende de aanraking en Petrus zei: ‘Meester, de mensen om u heen staan te duwen en te dringen!’ Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft me aangeraakt, want ik heb kracht uit me voelen wegstromen.’ Toen het de vrouw duidelijk werd dat haar aanraking niet onopgemerkt was gebleven, kwam ze trillend naar voren, viel voor hem neer en legde ten overstaan van de hele menigte uit waarom ze hem had aangeraakt en hoe ze meteen was genezen. Hij zei tegen haar: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.’

Nog voor hij uitgesproken was, kwam er iemand uit het huis van Jaďrus tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven. Val de meester niet langer lastig.’ Maar Jezus hoorde het en zei: ‘Wees niet bang, maar geloof, dan zal ze worden gered.’ Toen hij bij het huis kwam, stond hij niemand toe om met hem naar binnen te gaan behalve Petrus, Johannes en Jakobus, en de vader en moeder van het meisje. Alle aanwezigen waren aan het weeklagen en sloegen zich van verdriet op de borst. Hij zei: ‘Houd op met klagen, want ze is niet gestorven maar slaapt.’ Ze lachten hem uit, omdat ze wisten dat ze gestorven was. Hij nam haar hand vast en zei met luide stem: ‘Meisje, sta op!’ Haar levensadem keerde terug en ze stond meteen op. Hij gaf opdracht haar iets te eten te geven. Haar ouders waren verbijsterd; hij gebood hun tegen niemand te zeggen wat er was gebeurd.

 

 

Gedichten:


 

zo zeker als de dag

 

Zo zeker als de dag

- zelfs de kortste in de winter -

volgt op de nacht,

zo zeker onze hoop

dat alle levensduister

kan opgaan in het licht.

 

Toch houdt dat wankel weten,

die vonk van licht uit Licht

ons op de been.

 

In ons ligt een lont

te wachten op ontbranding

- soms tegen wens en weten in -

door Dat wat klein en kwetsbaar

groter is dan wij.

 

Marijke de Bruijne

(uit: Vierend Dichterbij. 1998)

 

 

het dochtertje van jaďrus

 

Eens stierf er

een kind

in Israël.

 

Er is een klein,

een ongelofelijk ontroerend

verhaal van,

alleen geschikt

voor kinderen.

 

Er buigt iemand

over haar heen

en zegt:

Meisje,

ik zeg u,

sta op!

 

Een bericht

om ermee te troosten,

niet om er over

te redeneren.

 

Er wordt in Zijn Rijk

niet geredeneerd,

alleen maar gezegd

en gedaan

en de doden leven daarvan.

 

Geert Boogaard

(uit: Met dank aan de Joden. 1982)