WEEK 6 – ik ben er voor jou

 

DAG 34 – zaterdag 27 maart 2021

 

Op zaterdag is er geen gesproken versie van het bezinningsmoment. U hebt gelegenheid om zelf de hele Bijbeltekst van de afgelopen week nog eens te lezen en erop te reflecteren aan de hand van het thema van deze week: ik ben er voor jou. Na de schriftlezing vindt u twee bijpassende gedichten.

Voor gezinnen met kinderen is er vandaag een apart ‘gezinsmoment’ beschikbaar.

 

Schriftlezing: Ruth 1

In de tijd dat de rechters het volk leidden, brak er een hongersnood uit in het land. Een man trok daarom met zijn vrouw en zijn twee zonen weg uit Betlehem in Juda, om een tijdlang in de vlakte van Moab te gaan wonen. De naam van de man was Elimelech, die van zijn vrouw Noömi, en zijn twee zonen heetten Machlon en Kiljon; het waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Toen ze in Moab waren aangekomen, bleven ze daar als vreemdeling wonen. Na enige tijd stierf Elimelech, de man van Noömi, en zij bleef achter met haar twee zonen. Zij trouwden allebei met een Moabitische vrouw. De naam van de ene was Orpa, die van de andere was Ruth. Nadat ze daar ongeveer tien jaar gewoond hadden, stierven ook Machlon en Kiljon, en de vrouw bleef alleen achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man.

Toen Noömi hoorde, daar in Moab, dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken en dat het weer te eten had, maakte ze zich samen met haar twee schoondochters gereed om Moab te verlaten en terug te keren. Samen met hen verliet ze de plaats waar ze gewoond had. Maar toen ze eenmaal op de terugweg waren naar Juda, zei Noömi: ‘Gaan jullie nu maar allebei terug naar het huis van je moeder. Moge de HEER zo goed voor jullie zijn als jullie voor mij en mijn gestorven zonen zijn geweest. Moge hij ervoor zorgen dat jullie allebei geborgenheid vinden in het huis van een man,’ en ze kuste hen. Toen barstten zij in tranen uit en zeiden: ‘Maar we willen met u terugkeren naar uw volk!’ ‘Ga terug, mijn dochters,’ zei Noömi, ‘waarom zouden jullie met mij meegaan? Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen kunnen worden? Ga toch terug, want ik ben te oud voor een man. Zelfs al zou ik nog hoop koesteren, zelfs al sliep ik vannacht nog met een man en al bracht ik nog zonen ter wereld – zouden jullie dan wachten tot ze groot zijn en je ervan laten weerhouden met een andere man te trouwen? Nee, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie; de HEER heeft zich tegen mij gekeerd.’ Opnieuw begonnen zij te huilen. Orpa kuste haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth week niet van haar zijde. ‘Kijk, je schoonzuster gaat terug naar haar volk en haar god,’ zei Noömi, ‘ga haar toch achterna!’ Maar Ruth antwoordde: ‘Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEER is mijn getuige: alleen de dood zal mij van u scheiden!’ Noömi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan en drong niet langer aan. Zo gingen zij samen verder, tot in Betlehem.

Hun aankomst in Betlehem baarde veel opzien. Overal in de stad riepen de vrouwen: ‘Dat is toch Noömi?’ Maar ze zei tegen hen: ‘Noem me niet Noömi, noem me Mara, want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt. Toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen. Waarom mij nog Noömi noemen, nu de HEER zich tegen mij heeft gekeerd, nu de Ontzagwekkende me kwaad heeft gedaan?’ Zo kwamen ze samen terug uit Moab, Noömi en haar schoondochter Ruth, de Moabitische. Ze kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gersteoogst.

 

 

Gedichten:


 

Jouw vreemde land wordt mijn land,

als wij er binnengaan.

De dreigend grauwe luchten,

de bomen zonder vruchten

komen in bloei te staan.

 

Waar jij heen gaat, ga ik heen,

er is geen ander lot

en waar jij ook mag wonen

vind ik mijn onderkomen

en delen wij één God.

 

En als de dood ons pad kruist,

als jij er niet meer bent,

mag ik onstuitbaar bloeien.

Op jouw grond kan ik groeien,

op jou ben ik geënt.

 

Adries Govaart   

(n.a.v. Ruth 1:16,17)

(uit: Zangen van zoeken en zien; oecumenische Liedbundel. 2015/19)

 

 

 

WARMTE, EEN WOONPLAATS

 

Liefde en het besef

van liefde daartussen bouwen

mensen een warmende woonplaats

 

en sprekende zeggen ze: liefste

open je ogen nu langzaam en eet

ik heb het licht voor je aangesneden

of: open je ogen niet drink nu het donker

ik heb de nacht voor je omgekocht

 

want liefde en het besef

van liefde daaraan ontsteken

ogen en stemmen hun licht

daarin ontbloeien de lippen

daaruit ontstaat het gedicht

 

Ellen Warmond

(uit: Tegenspeler Tijd; een keuze uit de gedichten. 1979)