Gezinsmoment Veertigdagentijd - WEEK 6

Zaterdag 27 maart – DAG 34 van de Veertigdagentijd

 

Omdat er in onze gemeente gezinnen zijn met kinderen van verschillende leeftijden, worden bij de gezinsmomenten soms verschillende opties aangeboden. Als ouders kunnen jullie het beste eerst het hele document doorlezen, om dan die elementen eruit te kiezen die goed bij jullie gezin passen. Veel plezier en inspiratie gewenst!

 

Thema: ik ben er voor jou

 

Inleiding


Kijk eens goed naar het plaatje hierboven. Wat zie je? Wat hebben deze mensen bij zich en wat zijn ze aan het doen? Wie zouden dit kunnen zijn?

Je ontdekt het als je het verhaal hieronder leest!

 

Om te lezen en over te praten

Optie 1: Lees het verhaal over Ruth (eerder gebruikt in het project ‘Kind en Bijbel’; tekst: Betty v.d. Kooij)

 

In het land Juda zijn door de droogte de graanoogsten mislukt en er heerst hongersnood.

Alle mensen maken zich grote zorgen.

Ook Elimelech. ‘Mijn God is koning’ betekent  zijn naam. Maar hij merkt niet dat God sterk en machtig is voor hem. Hij zucht: ‘Als mijn God koning is, waarom helpt hij ons dan niet? We hebben al dagenlang geen eten meer. Als er niets gebeurt gaan we dood van de honger.’

Ook zijn vrouw Noömi verzucht: ‘God houdt niet meer van ons.’

 

Op een dag zegt Elimelech tegen Noömi: “Laten we naar het buurland Moab gaan, daar is nog genoeg graan voor brood.”

Ze verlaten hun eigen land, samen met hun twee zonen, en gaan wonen in het buurland.

Ze zijn vreemdelingen, maar de mensen zijn goed voor hen en ze hebben genoeg te eten.

Maar na een tijd wordt Elimelech ziek. Zo ziek dat hij sterft.

Nu moet Noömi zelf voor haar kinderen zorgen. De mensen in Moab zien hoe verdrietig ze is en helpen haar. Daarom blijft ze in het buurland wonen.

Haar zoons trouwen met meisjes uit het land, de één heet Orpa, de ander Ruth.

Maar na tien jaar sterven ook de beide zoons.

Zo blijft Noömi achter met haar twee schoondochters.

Ze hebben veel verdriet en proberen elkaar te troosten.

 

Op een dag zegt Noömi:“Ik wil weer terug naar mijn land. Ik heb gehoord dat daar nu geen honger meer is. Ik heb het hier goed gehad, maar ik hoor toch bij mijn eigen volk.”

“Dan gaan wij met u mee,” zeggen Orpa en Ruth, “We laten u niet alleen.”

En zo verlaten ze Moab en gaan ze op weg naar Betlehem, het stadje waar Noömi vroeger woonde met haar man en kinderen.

 

Maar onderweg staat Noömi ineens stil. Ze kijkt ernstig en zegt tegen Orpa en Ruth:

“Jullie moeten niet verder met me meegaan. Voor mijn volk zijn jullie vreemdelingen. Ik denk dat het hier in Moab gemakkelijker is om voor jullie een nieuwe man te vinden. Jullie zijn nog jong, jullie kunnen opnieuw trouwen. Ga dus terug.”

Orpa en Ruth moeten huilen.

“Nee, wij blijven bij u, we laten u niet in de steek!”

Maar Noömi wil het niet.  “Wees toch verstandig en ga terug. Ik heb mijn man en mijn twee zoons verloren. God heeft mij verlaten. Moeten jullie ook ongelukkig worden?”

Orpa aarzelt. Ze omhelst Noömi en draait zich om.

Maar Ruth houdt haar schoonmoeder stevig vast.  “U moet mij niet vragen om terug te gaan. Waar u ook heen gaat, ik ga met u mee. Ik hoor bij u en bij uw volk. Uw God is mijn God.” Dan durft Noömi niets meer te zeggen. Ze voelt de liefde van Ruth.

Samen lopen ze verder, tot ze in Betlehem zijn.

 

Daar herkennen de mensen Noömi. Maar wat is ze oud geworden! “God heeft haar niet veel geluk gegeven. Het is goed dat Ruth bij haar is,” zeggen ze.

Ze behandelen Ruth niet als een vreemdeling maar als iemand die bij hen hoort.

Ze mag bij de oogst op het korenveld de afgevallen stengels oprapen, zodat ze graan hebben om brood van te bakken. Nu hoeven ze geen honger te hebben, want veel geld hebben ze niet. 

 

Vragen om over te praten:

·      Als Noömi tegen haar schoondochters zegt dat ze toch maar in Moab moeten blijven, reageren Orpa en Ruth daar verschillend op. Wat doet Orpa en wat doet Ruth? Begrijp je hun keuze?

·       Hoe denk je dat het voor Ruth zal zijn om in een ander land te gaan wonen?

·       Wat denk je dat het voor Noömi betekent dat Ruth toch met haar meegaat?

·   Door wat Ruth doet, zegt ze eigenlijk tegen Noömi: “Ik ben er voor jou.” Kun je bedenken hoe jij er zelf voor iemand anders kan zijn, of hoe je iets voor een ander kunt doen?

 

 

Optie 2: Lees dit spiegelverhaal (tekst en illustratie: Iris Boter)

 

VREEMD

 

“Hoe was het vanmorgen op school?” vraagt mama als Janna en Iris tussen de middag thuiskomen. Iris eet vaak mee.

“Er is een nieuw meisje,” zegt Janna. “Alice. Ze komt uit…. Nou, dat weet ik niet meer. Een heel ver land. Ik ben de naam alweer vergeten.”

“Ze eet heel rare dingen,” zegt Iris.

“Ze doet haar schoenen uit in de klas!” Janna lacht.

“En heb je die rare jurk gezien die ze droeg?” Iris lacht ook.

“En ze zegt ‘alstoeblieft’ en ‘dankoewel’ Janna en Iris giechelen.

“Wat onaardig,” zegt mama. “Alles is nieuw voor haar. Jullie zouden haar moeten helpen!”

“Sorry,” zeggen Janna en Iris tussen het lachen door. “Maar ze is zo anders.”

“Ik daag jullie uit,” zegt mama, “om overeenkomsten te vinden.”

“Wat is een overeenkomst?” vraagt Iris.

“Dat is wat hetzelfde is tussen jullie. Wedden dat er meer overeenkomsten zijn dan verschillen?”

Als Janna en Iris die middag uit school komen zijn ze met z’n drieën: Alice is meegekomen.

Janna zegt: “Je hebt gelijk, mam. Alice houdt ook van Skip-Bo en ze kan het heel goed!”

“Ze heeft ook skates,” zegt Iris. “Echt toffe!”

“Ze is ook bang voor spinnen en onweer. En ze houdt ook niet van spinazie!”

“En ze zit ook op TikTok. We volgen elkaar nu. En ze kan goed dansen, joh! Dat gaat ze ons vanmiddag leren.”

“Wat fijn,” zegt mama. “Veel plezier met elkaar!”

 

Iris Boter

(uit: Open Deur nov. 2020)

 

Vragen om over te praten:

·  Wat vinden Janna en Iris van hun nieuwe klasgenootje als ze tussen de middag thuiskomen?

·     Wat zegt de mama van Janna dan tegen hen? Met welke opdracht gaan ze ’s middags terug naar school?

·       Wat gebeurt er als ze doen wat de mama van Janna heeft gezegd?

·       Herken je iets in dit verhaaltje?

 

Om te doen

 

Werk verder aan de kijktafel

Een kijktafel kan helpen om er iedere dag aan herinnerd te worden dat we op weg zijn naar Pasen. Met voorwerpen en symbolen maken we de weg naar Pasen zichtbaar. Iedere zaterdag komt er een voorwerp bij dat past bij het verhaal van die week.

 

De weg wordt steeds langer

Vandaag mag het 34e steentje worden neergelegd, want het is vandaag de 34e dag van de Veertigdagentijd.

 

Voeg het symbool voor week 6 toe:

·       Zoek een paar mooi gekleurde draadjes katoen of wol.

·       Knoop of vlecht met de draadjes een vriendschapsarmbandje.

·   Je kunt ook op YouTube zoeken naar filmpje waarin wordt voorgedaan hoe je een vriendschapsarmbandje maakt, bijvoorbeeld deze:

https://www.youtube.com/watch?v=kQ7RNGhUH-M

· Leg het armbandje bij het 34e steentje. Als je dit vriendschapsarmbandje ziet, kun je denken aan Ruth, die als een goede vriendin bij Noömi wilde blijven en voor haar wilde zorgen.

·       Heb je de smaak te pakken? Maak dan nog twee armbandjes. Geef er één aan een vriendje of vriendinnetje en doe de ander aan je eigen pols als teken van jullie vriendschap! 

 

Tot slot: Maak een foto van jullie kijktafel en stuur die naar ds. Rianne (dominee@pgwarmond.nl), dan kunnen we die foto’s in de dienst op 1e Paasdag laten zien! Het zou leuk zijn als jullie zelf ook op de foto staan!

 

 

Ter inspiratie – Een gedichtje

 

op nieuwe schoenen liep ik
in een nieuwe jas onder
splinternieuwe haren door
een wereldvreemde straat
naar een vriend die ik niet kende

en de mensen moesten lachen
om mijn schoenen,
om mijn jas, mijn
belachelijke haren

en de vriend die ik niet kende
lachte ook maar lachte anders
lachte met mij mee naar huis.

En gelukkig kwam ik
thuis.

(Tim Gladdines)